Home Dorpsbelangen Agenda Nieuws Verenigingen Nieuwolda Links Contact
Historisch verhaal  gehouden ter gelegenheid van het 300 jarig bestaan van de kerk in Nieuwolda, op 23 september 2018. door: Jan Pieter Koers Bij een feestelijk jubileum hoort ook in de regel een terugblik en de commissie heeft mij gevraagd iets te vertellen over het ontstaan van dorp en kerk.   Nieuwolda werd vroeger het Midwolder hamrik genoemd. Met een hamrik, zo wordt ons door Wikipedia vertelt, wordt het buitengebied van een kerkdorp gedoeld. We kennen hier in de buurt ook een hamrik in Scheemder, Eexter, Finsterwolde en Beerta. Het buitengebied dus, veraf  gelegen van het moederdorp. Vaak boerenland, maar soms ontstonden er ook klein buurtschappen zoals hier, de verzameling huizen die we onder de naam Troppelhuizen op kaarten tegenkomen, wat niets meer betekent dan een groepje of troepje huizen. Troppelhuizen lag in het hamrik van het dorp Midwolda en kreeg later, na haar zelfstandigheid, de naam Nie-wolda, dat was in 1667,  zoals we ook zien bij nieuw gestichte dorpen als Nieuw Scheemda en Nieuw Beerta. Nieuwolda werd in de volksmond ook wel het Golden Hamrik genoemd en sommigen veronderstellen een link met rijke boeren en kapitale boerderijen. Maar dat is niet zo. De naam ´t Golden Hamrik schijnt terug te gaan naar de tijd dat er in het Oldambt heel veel koolzaad werd verbouwd en Nieuwolda in een zee van gele koolzaadvelden lag. Koolzaad en graan bepaalden ook in 1765 het beeld, toen aan de westkant van de bestaande kerk een toren werd gebouwd. Het zal u als inwoners van Nieuwolda bekend zijn, dat er geen paard of haan op de toren staat, maar een zeewezen, want daaronder valt dit soort zee-creaties. Zeewezens op kerktorens zijn in ons land erg zeldzaam.  In heel ons land kennen we maar zes stuks, waarvan vijf in Groningen. En die vinden we alleen langs de kust - zoals in Uithuizen, Uithuizermeeden, Zuurdijk, Farmsum en Nieuwolda. Twee van de vijf wezens hebben een zwaard in de hand dat dreigend wordt opgestoken of naar voren gericht, een derde wijst met haar uitgestrekte arm de windrichting aan. De zeemeermin van Nieuwolda is anders…. Met haar ene arm houd ze een bundel korenschoven vast, en in de andere hand heeft ze een sikkel. En daarmee wordt als het ware in één treffend beeld de historie van Nieuwolda neergezet. Zee en oogst…, en de figuur op de windvaan, die misschien wel een verwijzing is naar de graangodin Ceres. …Ceres, de Romeinse Godin van de akkerbouw, die we in het Oldambt soms op gevels van boerderijen zien afgebeeld - de godin in haar lange gewaad met sikkel en korenschoven,- hier afgebeeld als zeegodin met vissenstaart…    Die rijkdom van de kleigrond hier, dateert eigenlijk pas van na 1700, toen de boeren vanwege de veepest, noodgedwongen omschakelden naar minder vee naar meer akkerbouw. De ploeg ging in het weiland om daar rogge, haver en gerst op te verbouwen. De vruchtbare kleigrond rond Nieuwolda bracht onverwacht grote welvaart en voor de veranderde bedrijfsvoering was veel werkvolk nodig. De boerderijen werden groter, de graanschuren imposanter en een leger van arbeiders en polderjongens stroomde toe om te ploegen, te zaaien, te oogsten en te dorsen. En nadat in 1718 al de kerk was gebouwd, besloten de kerkvoogden in deze jaren van welvaart, ook nog tot het bouwen van een toren. Die kwam bijna 50 jaar na de bouw van de kerk, in 1765 gereed. Het kon er wel af. En wat was er treffender in die tijd van grote welvaart, dan de zegeningen van Ceres te verbeelden, als windvaan op de nieuwe toren, de vrouw met een rijke oogst aan korenschoven in haar armen. De lokroep van Ceres reikte tot ver. Vanuit Westfalen kwamen ze, en uit het koninkrijk Hannover en uit Westerwolde, waar mijn over-over-overgrootouders  in het gehucht Wollinghuizen woonden. Een geïsoleerde  gemeenschap van arme boeren met kudden heideschapen, kleine kampjes boekweit en rogge, bijenvolken. Onze  Hindrik werd daar in 1762 geboren, maar voor een opgroeiende jongen als hij, was daar geen cent te verdienen. Nee, uit verhalen wist hij van de vruchtbare klei in het Oldambt, dat daar werk in overvloed was. Ja, in Nieuwolda moest je wezen. En zo nam ook Hindrik het besluit af te reizen naar het Gouden Hamrik, naar het land van melk en honing, Als inwonende knecht in één van de boerderijen hier, ontmoette hij de boerenmeid Grietje Klaassens, was ook naar Nieuwolda afgereisd voor werk, want haar wiegje stond in Oude Pekela. Kort en goed; op 23 mei 1790 trouwden ze hier op deze plek in deze kerk. Dat er veel meer vreemd werkvolk naar Nieuwolda kwam, is te zien in het huwelijksboek van die tijd: Geert Jans van Dörpen in Westfalen, Harm Arents van Brandenborg, Jan Jacobs uit Lingen, Hindrik stoffers van Lipsland, Hindrik Pieters van Bielefeld en zo zijn er meer arbeidsimigranten die hier aan de vrouw kwamen.  De mooiste provinciekaart die we kennen is die van Theodorus Beckering. De befaamde borgenkaart met een omlijsting van plaatjes van oude Groninger borgen hangt misschien ook bij u thuis. Beckering bracht zijn kaart uit in 1781, maar was al heel veel jaren daarvoor, bezig met het vastleggen van de gegevens. Hij reisde per schip en rijtuig naar alle hoeken van de provincie om afstanden in te meten en van molens, borgen en kerken die hij tegenkwam, schetsen te maken. In 1756 was hij in Nieuwolda om de plattegrond van het dorp te tekenen, het dorp met de kerk die toen nog geen toren had. Dat was op de valreep, want nog geen tien jaar later kwam de nieuwe toren gereed. Interessant is, dat  Beckeringh behalve de kerk, ook een klein gebouwtje tekent op de noordoosthoek van het kerkhof. Een soort torentje lijkt het, maar dan lager dan de kerk.  Het kan haast niet anders of dat is een houten klokkenstoel geweest, voorzien van een puntvormig dak met een windvaan. Maar om naar de wortels van de christelijke gemeenschap terug te gaan, moeten we 1000 jaar terug in de tijd. Het grondgebied van Nieuwolda behoorde toen tot het verre buitengebied, het hamrik, van de toen nog rooms-katholieke parochie Midwolda. Midwolda was ontstaan als een nederzetting in het grote onbewoonde veengebied, dat zich vanaf  Nieuwolda naar het zuiden uitstrekte tot aan de Hondsrug. Ten noorden van het huidige Nieuwolda woonden de mensen al eeuwen lang op wierden in het onbedijkte land. Nieuwolda ligt dus op de grens van het oude wierdenlandschap in het noorden en het hoogveengebied in ten zuiden.  Zo´n 1000 jaar geleden trokken de wierdebewoners het veen in, op zoek naar nieuwe akker- en weidegrond. Midwolda werd daar als één van de eerste nederzettingen  gesticht.  Midwolda, Midden in het Wold, later gevolgd door andere dorpen, dieper het veen in. In al deze nieuwe dorpen verrezen in de 13e eeuw grote kerken, meestal kruiskerken zoals die van Zuidbroek. Maar Midwolda, met de oudste papieren en met Johannes de Doper als schutspatroon, bleef de status van moederkerk houden en ook het centrum van bestuur en rechtspraak.En de enorme kerk, bijna 60 meter lang, met z’n vier torens, was het symbool van die positie, de kerk, die vanuit bijna alle uithoeken van het Oldambt te zien was. Het ging het Oldambt in de middeleeuwen voor de wind, en als bewijs van echtheid hing men een zegel aan hun documenten met daarop het belangrijkste dat ze hadden, …het beeld van de viertorenkerk. Maar rampspoed hing Midwolda boven het hoofd, want begin 1500 vormde zich een diepe invretende Dollardbekken en dat betekende het einde van Midwolda’s positie. Landerijen gingen verloren, inkomsten bleven uit, het dorp verarmde, werd naar het zuiden verplaatst en de viertorenkerk bleef eenzaam achter bij boerderij Ol Kerke aan de Kerkelaan. Wel tot Meeden en Zuidbroek was de getijdenwerking voelbaar en door het in- en uitstromende water ontstond in het ondergelopen deel een brede geul, die door de bevolking hier simpelweg Olle Geute werd genoemd. Een gevolg was, dat de mensen die ten noorden van Ol Geute woonden, - de bewoners hier in t hamrik-, afgesneden werden van de Midwolder parochiekerk. Hoe kon een geestelijke nu nog pastoraal werk doen in het hamrik? En hoe moeilijk was het om in herfst en winter kinderen te laten dopen in de viertorenkerk, of de overledenen daar op het kerkhof te begraven of, zo wie zo, op zondag vanuit t Hamrik de kerk te bezoeken?  Van en naar de kerk in Midwolda betekende een lange reis langs de oude oever van de Dollard, of zoals later bij de eerste inpolderingen, over ´t Waar, Nieuw Scheemda, Scheemderzwaag en Scheemda naar Midwolda. In 1637 besloten de kerkvoogden van Midwolda dan ook tot het beroepen van een tweede predikant, speciaal voor t Hamrik. De bewoning van ´t Hamrik, stelde dus zoveel voor in die tijd, dat men het nodig achtte dat daar een dominee moest komen. Tien jaar later, in 1647 werd zijn opvolger aangesteld, dominee Johannes Takens. Hij was de eerste echte predikant en het was de opmaat van een proces, dat tot zelfstandigheid van t hamrik moest lijden. Burgemeesters en Raad van Groningen, ondersteunden, zo zien we, de stichting van een nieuwe dorpen meestal van harte. En ofschoon er eigenlijk geen document bestaat, waarin tot de afscheiding en de stichting van het kerkdorp wordt besloten, kan het jaar 1648 algemeen worden gezien, als jaar waarin de afscheiding van de moederkerk in Midwolda, in gang werd gezet.   We zien dat met name aan de administratie van kerk en samenleving hier in t Hamrik, die tot dan door de moederkerk Midwolda werd gedaan, maar in 1648 helemaal wordt overgenomen door dominee Takens. Het boek met de gedoopte kinderen, begint  in1648, en de notitie van gesloten huwelijken en ook in dat jaar begint het lidmatenboek. Ja, dat de Stad Groningen met de afscheiding instemde, blijkt vooral uit het feit dat dominee Takens, evenals de andere predikanten in het Oldambt, notariële bevoegdheden krijgt en de gemeenschap daarmee de zelfde rechten krijgt als andere dorpen. Voor koopakten, huwelijkscontracten en hypotheekakten konde de hamrikkers voortaan bij hun eigen predikant terecht en hoefden ze niet meer naar Midwolda. Maar om die akten te waarborgen was een zegel nodig en dat kregen ze. De Stad verleende hen het recht een zegel te voeren met daarop een afbeelding van een zaaiende landman. U wel bekend.  Was t Hamrik nu in feite zelfstandig, de afwikkeling van de financiën tussen de moeder en  kind had, als we de bewaarde archieven moeten geloven, heel wat meer voeten in de aarde. Wat was het probleem? Predikant en kerkgebouw werden in die tijd betaald en onderhouden van de huurpenningen van het kerkelijk onroerend goed. Landerijen, akkers en weidegrond, die de kerk ooit had verworven en waarvan de jaarlijkse opbrengsten goed waren voor een sluitende begroting. Wettelijk gezien had een afgescheiden dorp – en ook bij Nieuw Scheemda was dat het geval – recht op een evenredig deel van de landbezit van de moederkerk om zo haar voortbestaan te garanderen. En daar zat nou net de pijn, want een vermindering van onroerend goed, betekende een verminderden van de riante inkomsten en dus zetten de Midwolders de hakken in het zand. In de jaren daarna tekent de onenigheid tussen beide dorpen zich steeds meer af. De Midwolders eigenen zich stenen toe en dat zette kwaad bloed bij de hamrikkers die de stenen waarschijnlijk voor de bouw van hun nieuwe kerk bijeen hadden gebracht. Om echt financieel los van Midwolda te komen was een verdeling van de goederen noodzakelijk. De zaak sleepte voort en in 1704 bemiddelde de Raadsgecommitteerden van Groningen in de moeilijke onderhandelingen. Wie betaalde bijvoorbeeld het onderhoud van de kerkpaden? En waarom moesten de Hamrikkers nog meebetalen aan de geldverslindende reparaties aan de oude Midwolder kerk? En dan was er nog het legaat van ene Timon Harmens, voor de bouw van de kerk. Daar moesten de Midwolders sowieso van afblijven. Er kwam een voorlopige verdeling van het onroerend goed tot stand maar een ondertekende overeenkomst kwam er nog niet.   Zojuist viel al de naam van Timon of Tijmen Harmens en sedert enige tijd is er in Nieuwolda zelfs een straat naar hem genoemd, een heel klein straatje dat wel, en ook nog zonder huizen. Misschien had hij, gezien zijn edelmoedige daad, wel recht op wat meer eer gehad. We kennen hem vooral van de herinneringssteen boven de ingang van de toren, waar zijn naam te lezen is, want zo staat er, ´is dit heiligdom uit de aanwinst der gotvrugtige kerkbegifteging van de zalige Timon Harmens op des Dollarts gezegende aanwas gebouwt. En met die aanwas van de Dollard werden natuurlijk de inpolderingen bedoeld. Tot aan het gereedkomen van de kerk in 1718 had Nieuwolda geen kerkgebouw. Lang daarvoor, bij het begin van de afscheiding, was bepaald, dat de Hamrikkers gebruik mochten blijven maken van de oude viertorenkerk aan de Kerkelaan halverwege de Kerkenlaan, maar alles wijst erop, dat de diensten van dominee Takens meestal werden gehouden in de school, die al in 1648 in t Hamrik was gebouwd. En het was Timon Harmens, zo staat boven de deur, die met zijn godvruchtige begiftiging, zeg maar zijn financiële gift, de kerkbouw mogelijk maakte. Een belangrijk persoon dus hier in de Nieuwolda en bovendien een vermogend man. Over de milde gever weten we eigenlijk niet eens zo veel. We weten dat hij was getrouwd met Saberich Ellens, maar zijn geboortejaar en jaar van huwelijk zijn onbekend. Saberich werd niet oud en overleed kinderloos- en in 1666 trouwde Timon Harmen opnieuw, toen met Jantjen Tonnis. Dochter Aelfje, die uit dit huwelijk werd geboren, bezweek al jong,  en een jaar later – en ook die datum is niet bekend- overleed ook Timon Harmens en liet dus alleen zijn vrouw Jantje Tonnis achter. In juli van het jaar daarop – in 1669- wordt zijn nalatenschap verdeeld. De weduwe krijgt de woning met schuur en de bijbehorende tuin in eigendom en al het overige wordt in twee gelijke porties verdeelt, één voor Jantje Tonnis en één voor de kerk…. In de lijst van Jantje, vinden we o.a. we voor ruim 1000 gulden ´winkelwaren´ genoemd, en dat betekende dat ze een belangrijke onderneming bezaten. Een kruidenier wordt wel eens gezegd, misschien was het een groothandel in zogenaamde koloniale waren en was het bedrijf ergens aan het Dok gevestigd. Dat Timon verder als een soort bankier fungeerde, mag blijken uit tientallen geldleningen die hij uit had staan. Dat was ook, wat er te verdelen was, en zo kreeg de kerk zo´n 16 uitstaande leningen met een gezamenlijke waarde van 4117 gulden, 4117 gulden aan leningen, waarover in veel gevallen door de betrokkenen ook nog jarenlang rente moest worden betaald. Volgens de heer R. Georgius was het kapitaal gelijk aan de waarde van een boerderij met 25-30 hectare land. In  de akte van verdeling wordt niet gesproken over een legaat speciaal voor de bouw van een kerk, maar die bestemming lag voor de hand. Waarom duurde het dan nog eens 50 jaar, voordat de kerk er echt stond? We weten het niet. Misschien vanwege het feit, dat de kerkvoogdij geen 4000 gulden in contanten kreeg, maar aan uitstaande leningen en die leningen hadden een bepaalde looptijd en moesten eerst worden afbetaald. En het lijkt er op, dat gaandeweg de leningen werden voldaan en de kerk zijn geld in klare munten binnen kreeg. Pas in 1716 lezen we voor het eerst over de bouwplannen. Op 2 april, anderhalf jaar voor de inwijding, besloten de kerkvoogden en vertegenwoordigers van het Groninger Stadsbestuur om ‘drei teekens´ van een kerk te laten maken. Bouwtekeningen dus, die jammer genoeg verloren zijn gegaan. Op 9 mei bekeken ze een stuk grond, of dat geschikt zou zijn voor de bouw van een kerk, en later die maand brachten de dominee en de kerkvoogden een bezoek aan Wildervank, waar in 1787 een nieuwe kerk was gebouwd. In september werd de grond aangekocht en begin november 1716 werd door de kerkvoogden en timmerman Assius en metselaar Buseman de te bouwen kerk op het perceel uitgezet. Na de winter, in het voorjaar van 1717 zal men daadwerkelijk met de bouw zijn begonnen het moet gezegd, de reis naar Wildervank heeft inspirerend gewerkt. Als we beide kerken bekijken en de later gebouwde toren even wegdenken en ook de latere aanbouwen bij de kerk van Wildervank, is er bij de oorspronkelijke gebouwen best enige overeenkomst te zien. Het hele jaar 1717 werd aan de kerk gebouwd, en in de zomer van 1718 werden kerkbanken en preekstoel geplaatst. Als bijzonderheid mag nog worden vermeld, dat juist ten tijde van de bouw, in december 1717 de beruchte Kerstvloed plaats vond en de kerk–in-aanbouw rondom in het water stond.   De inwijding van de kerk vond plaats op zondag 23 september 1718. s´Morgens preekte ds. Dronrijp in de oude viertorenkerk en ´s middags werd de kerk hier plechtig in gebruik genomen. Hij deed dat met de woorden van 1 Petr. 2:5. De strekking mag duidelijk zijn, een kerk van steen, hoe mooi ook blijft een dood ding, wanneer niet de gelovigen de boodschap in praktijk brengen. Of zoals dominee Dronrijp het met de woorden van 1 Petrus zijn gehoor voorhield,  ZOO WORDEN OOK GY ZELVE ALS LEVENDE STENEN GEBOUWD TOT EEN GEESTELYK HUIS. Boven de deur van de kerk, werd in een herinneringssteen de totstandkoming en de inwijding gememoreerd, 50 jaar later, toen de kerk een toren kreeg, verhuisde de steen naar de toren, boven de nieuwe ingang. Ook het belangrijk strijdpunt met de Midwolders werd in die tijd  beslecht,- de verdeling van de kerkelijk onroerend goederen. Op een jaar na 120 jaar na de afscheiding in 1648, tekenden de partijen een overeenkomst waarin werd bepaald dat Midwolda 4/7 deel, en Nieuwolda 3/7 deel van aan kerkgrond zou krijgen en zo werd de strijdbijl eindelijk  begraven…. Jan P. Koers, Midwolda